maandag 7 mei 2012

Nederlandse hypocrisie inzake Surinaamse amnestiewet

Herinnert u zich deze nog: de prinselijke Lockheed-affaire


Limburg duikt stoffige Nederlandse archiefdoos in

07-05-2012 Door: Paul Kraaijer


Heeft hij een punt of niet? Dat dacht ik maandagmiddag 7 mei toen ik weer eens luisterde naar het SRS-programma ‘Bakana Tori’ van presentator Clifton ‘Limbo’ Limburg. Natuurlijk ging hij weer in op de ‘kwestie Apintie’ en vermeende door hem geuite bedreigingen volgens directeur Charles Vervuurt van Apintie aan het adres van mediacollega’s en op de ‘djugu djugu’ ofwel ‘het gedoe’ rond de amnestiewet, stille marsen en de zogenoemde verzoeningsmanifestatie van zaterdag 5 mei op het Onafhankelijkheidsplein in Paramaribo en de ‘rol’ van Nederland.

Met betrekking tot de ‘rol’ van Nederland en dan met name de tevergeefse en uiteindelijk mislukte pogingen van minister Uri Rosenthal van Buitenlandse Zaken, enkele Tweede Kamerleden en CDA Euro-parlementariër Ria Oomen om Suriname Europees te boycotten en om Assembleeleden die vòòr de amnestiewet hebben gestemd de toegang tot Nederland te ontzeggen, begon Limburg in zijn programma vanmiddag plotseling te praten over de op 1 december 2004 overleden Bernhard Leopold Frederik Everhard Julius Coert Karel Godfried Pieter, de Prins der Nederlanden, Prins van Lippe-Biesterfeld , zijn criminele activiteiten in de jaren zeventig van de twintigste eeuw en vooral over de wijze waarop hij aan strafvervolging wist te ontkomen in de zogenoemde Lockheed-affaire met hulp van het Kabinet Den Uyl.

Statement
Clifton Limburg haalde de Lockheed-affaire aan om een statement te maken. Een statement, dat de Nederlandse regering in 1976 de strafvervolging van een belangrijk lid van het Koningshuis heeft weten te voorkomen. De echtgenoot van toenmalig Koningin Juliana. Wanneer Bernhard strafrechtelijk zou worden vervolgd, dan dreigde Juliana af te zullen treden.

Nù de Surinaamse regering met een gewijzigde amnestiewet wil voorkomen dat de Surinaamse president strafrechtelijk wordt veroordeeld, is Nederlandse regering er als de Hollandse kippen snel bij en is de eerste, is het beste jongetje van de klas, die al een dag na de aanname door de Nationale Assemblee van de gewijzigde amnestiewet Suriname dreigde met sancties.

In het licht gezien van de geruchtmakende Lockheed-affaire in de jaren ’70, lijken de boycotpogingen van Nederland in de richting van Suriname op z’n zachtst gezegd een beetje hypocriet. Dàt wilde ‘Limbo’ in zijn radioprogramma terecht duidelijk maken.

Natuurlijk, er zijn ongetwijfeld Bouterse-haters die van mening zijn dat beide issues niet met elkaar te vergelijken zijn. Maar, de essentie van het betoog van Limburg is niets meer en niets minder dan duidelijk te maken dat Nederland voor wat betreft Suriname met twee maten meet. Natuurlijk is een smeergeldaffaire niet te vergelijken met de moord op vijftien onschuldigde burgers, maar in beide gevallen hebben regeringen betrokkenen – prins Bernhard en president Bouterse - onttrokken aan strafvervolging en het ondergaan van een (eventueel) vonnis. Eventueel, immers Bouterse is nu nog verdachte en geen veroordeelde dader.

De Lockheed-affaire
Voor wie niet bekend is met de Lockheed-affaire, een terugblik.
De Nederlandse prins Bernhard zou sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw voor de Amerikaanse vliegtuigfabrikanten Lockheed en Northrop gelobbied hebben in ruil voor geld. Vanwege de positie van Bernhard als echtgenoot van het Nederlandse staatshoofd werd dat lobbyen bestempeld als smeergeld. De Lockheed-affaire zette de toekomst van de monarchie zelfs op het spel. Koningin Juliana was niet van plan zich neer te leggen bij een eventuele strafvervolging van haar oh zo door het Nederlandse volk geliefde man met de onafscheidelijke pijp en witte anjer en glimlach rond de lippen en dochter prinses Beatrix wilde haar moeder niet opvolgen als die vanwege de kwestie afstand zou doen van de troom.

Op verzoek van de regering Joop den Uyl werd in 1976 snel een speciale commissie in het leven geroepen om de omkoopaffaire te onderzoeken; Nederland was immers geschokt. Die commissie bestond uit A.M. Donner (rechter bij het Europese Hof van Justitie), M.W. Holtrop (ex-president van De Nederlandsche Bank) en H. Peschar (voorzitter van de Rekenkamer), respectievelijk lid van de ARP (Anti-Revolutionaire Partij), de VVD (Volkspartij voor Vrijheid en Democratie) en de Partij van de Arbeid, PvdA.

Uit het eindverslag van de commissie bleek dat de prins van 1968 tot 1973 via een tussenpersoon totaal $ 750.000 had ontvangen van Northrop.

De Lockheed-affaire zag het levenslicht begin 1976 tijdens hoorzittingen in het Amerikaanse Congres over de vraag of de grote internationale wapenindustrieën wel volgens de wet opereerden. De ex-vice-president van Lockheed A. Karl Kotchian, heeft tijdens die zittingen van de commissie Church verklaard, dat er in het begin van de zestiger jaren 1,1 miljoen Amerikaanse dollars naar een hoge Nederlandse functionaris zou zijn gegaan. In 1968 zou daar nog eens 100.000 dollar bijgekomen zijn. Met die hoge functionaris zou Prins Bernhard bedoeld zijn. Deze informatie bleek echter op waargeid te berusten en kwam terug in het onderzoek van de commissie Donner.

De commissie stelde vast dat rond 1959 in de top van Lockheed de gedachte ontstond prins Bernhard een JetStar vliegtuig van eigen makelij aan te bieden. Dit om het klimaat in Nederland ten opzichte van Lockheed te verbeteren en omdat er vanuit werd gegaan dat wanneer een Nederlandse prins zou rondvliegen in een Lockheedtoestel het gunstige effecten zou hebben op de verkoop. Uiteindelijk zag men daarvan af en besloot men prins Bernhard één miljoen dollar aan te bieden. In 1968 deed zich iets soortgelijks voor waarbij besloten werd 100.000 dollar uit te trekken voor de prins.

De commissie vond twee brieven van Prins Bernhard uit 1974, waarin hij aandrong op spoedige betaling van aan hem verschuldigde bedragen, omdat hij zich in de afgelopen tijd ‘with a lot of pushing and pulling’ ten gunste van Lockheed had ingezet. Prins Bernhard heeft nooit ontkend dat hij die brieven geschreven heeft, maar steeds volgehouden dat hij ervan uitging dat de betalingen ten goede zouden komen aan het Wereld Natuur Fonds. (Op 11 september 1961 werd Bernhard benoemd tot eerste president van het internationale Wereld Natuur Fonds, wereldwijd bekend als WWF (World Wide Fund for Nature) en gevestigd in Zwitserland. Hij vervulde deze functie tot 1976.)

Onder de vele bewijzen voor het aannemen van steekpenningen waren stukken waaruit bleek dat de prins betrokken was bij het betalen van steekpenningen aan de Argentijnse junta onder Juan Perón, opdat men Nederlands rollend materieel van Werkspoor zou kopen.

De commissie Donner beoordeelde diverse handelingen van Bernhard als laakbaar. Zo concludeerde de commissie letterlijk ‘dat de prins zich aanvankelijk veel te lichtvaardig (had) begeven in transacties, die de indruk moesten wekken dat hij gevoelig was voor gunsten en dat hij zich toegankelijk had getoond voor onoorbare aanbiedingen en hij had zich laten verleiden tot het nemen van initiatieven die volstrekt onaanvaardbaar waren en die hemzelf en het Nederlandse aanschafbeleid bij Lockheed, en niet alleen bij Lockheed, in een bedenkelijk daglicht moesten stellen.’

De uitkomst van het onderzoek van de commissie Donner bezorgde het Kabinet Den Uyl een groot probleem. De staatssecretaris van Volkshuisvesting PvdA’er Marcel van Dam dreigde zelfs met aftreden als de prins niet zou worden vervolgd. Maar, veel betrokkenen zaten niet op een crisis in het land, in de monarchie, te wachten. Minister-president Joop den Uyl wist een compromis te bereiken waar iedereen akkoord mee kon gaan. Besloten werd de affaire niet voor een rechtbank aanhangig te maken. Om toch een signaal af te geven werd prins Bernhard gedwongen zijn functie als inspecteur-generaal van de Koninklijke Landmacht, Marine en Luchtmacht neer te leggen en af te zien van enkele andere opbare functies. Verder zou hij niet langer militaire uniformen mogen dragen.

Na die uitkomst van de Lockheed-affaire werd het stil rond de eens zo geliefde prins Bernhard. Hij was verworden tot een gewoon burger en echtgenoot van Koningin Juliana. Er is dus wel een soort ‘veroordeling’ geweest in de vorm van het gedwongen neerleggen van diverse publieke functies.

Regeringen voorkomen veroordeling Bernhard en Bouterse
De hoofdverdachte van de 8 decembermoorden 1982 in Paramaribo is nog steeds de president van de republiek Suriname. Of hij veroordeeld gaat worden, wordt wellicht vrijdag 11 mei bekend, wanneer de Krijgsraad waarschijnlijk uitspraak in het strafproces gaat doen.

Mocht Bouterse schuldig worden bevonden als moordenaar van één of meerdere onschuldige burgers op de 8e december van 1982 of als verantwoordelijke voor de moord op de vijftien burgers, dan wordt het vonnis meteen teniet gedaan door de amnestiewet. In die zin zijn beide zaken niet met elkaar te vergelijken en zou Limburg de plank finaal hebben misgeslagen.

Meet Nederlandse regering met twee maten en heeft Limburg een punt....
Maar, er is wel degelijk een overeenkomst tussen beide zaken. De enige overeenkomst is dat de regeringen van Nederland en Suriname zich hebben ingezet om een strafrechtelijke vervolging van respectievelijk een lid van het Nederlandse koningshuis en van de president van Suriname te voorkomen.
Heeft de Nederlandse regering zich nu – gelet op de Lockheed-affaire - in de kwestie Surinaamse amnestiewet hypocriet gedragen?
Heeft Clifton Limburg terecht de Lockheed-affaire uit de stoffige Nederlandse geschiedenisdoos getrokken om iets duidelijk te maken?

Geen opmerkingen: